Richtlijnen

Reanimatierichtlijnen 2015 van de Europese Reanimatieraad (European Resuscitation Council, ERC)

Deze samenvatting geeft een overzicht van de essentiële behandelalgoritmen voor de reanimatie van kinderen en volwassenen en zet de belangrijkste wijzigingen van de richtlijnen sinds 2010 in de verf. De gedetailleerde richtlijnen zijn onderverdeeld in 10 hoofdstukken en terug te vinden als afzonderlijke publicatie in Resuscitation. De hoofdstukken van de ERC Richtlijnen 2015 zijn:

De onderstaande samenvatting van de ERC Richtlijnen 2015 definiëren niet de enige manier waarop reanimatie kan worden toegepast; ze vertegenwoordigen vooral een algemeen aanvaard visie van hoe reanimatie zowel veilig als effectief zou moeten uitgevoerd worden. De publicatie van nieuwe en herziene aanbevelingen impliceert niet dat de huidige klinische zorg onveilig of ineffectief is.

boek  

  

 De uitgave Richtlijnen Reanimatie 2015 is vanaf januari 2016 verkrijgbaar bij ACCO.

 

Link naar ACCO: klik hier

 

  

Samenvatting van de belangrijkste wijzigingen sinds de Richtlijnen 2010

Basisreanimatie van volwassenen met het gebruik van de automatische externe defibrillator (BLS-AED)

  • De ERC Richtlijnen 2015 benadrukken het cruciale belang van de interactie tussen de operator van het hulpcentrum 112, de omstander die cardiopulmonaire reanimatie (CPR) uitvoert en het tijdig inzetten van een automatische externe defibrillator (AED). Een effectief, gecoördineerd beleid dat deze elementen combineert, is essentieel voor het verbeteren van de overleving na hartstilstand buiten het ziekenhuis (Figuur 1.1).
    Figure 1.1 De interacties tussen de operator van het hulpcentrum 112, de omstander die reanimeert en het tijdige gebruik van een automatische defibrillator zijn de cruciale ingrediënten voor de verbetering van de overleving bij hartstilstand buiten het ziekenhuis.

  • De operator van het hulpcentrum 112 speelt een belangrijke rol in de vroegtijdige diagnose van hartstilstand, het verstrekken van telefonische instructies bij de reanimatie (ook phone CPR genoemd) en het lokaliseren en inschakelen van een AED.
  • De omstander die getraind is en in staat om hulp te verlenen, moet het gecollabeerd slachtoffer snel evalueren om te bepalen of het onbewust is en niet normaal ademt. Als dat het geval is, dient de omstander onmiddellijk de hulpdiensten te bellen.
  • Het slachtoffer dat niet reageert en niet normaal ademt, is in hartstilstand en heeft reanimatie nodig. Omstanders en operatoren van het hulpcentrum 112 moeten een hartstilstand vermoeden bij alle patiënten met convulsies en moeten zorgvuldig evalueren of het slachtoffer normaal ademt.
  • Hulpverleners met kennis van reanimatie, moeten borstcompressies toedienen bij alle slachtoffers met een hartstilstand. Hulpverleners getraind en in staat om beademingen te geven, moeten borstcompressies en beademingen combineren. Wij zijn onvoldoende zeker dat uitsluitend borstcompressies toedienen gelijkwaardig zou zijn aan standaard CPR om de huidige richtlijnen te veranderen.
  • Een hoogwaardige CPR blijft essentieel voor de verbetering van de overleving van een slachtoffer. De borstcompressies dienen voldoende diep te zijn (ongeveer 5 cm, maar niet meer dan 6 cm bij de gemiddelde volwassene), met een snelheid van 100 tot 120 compressies per minuut. Laat de borstkas na elke compressie volledig terugveren en beperk de onderbrekingen tussen de borstcompressies tot een minimum. Blaas bij het beademen gedurende 1 seconde lucht in borstkas tot u deze omhoog ziet komen. De aanbevolen verhouding compressie/ventilatie blijft 30:2. Onderbreek de borstcompressies niet langer dan 10 seconden voor het geven van beademingen.
  • Defibrillatie binnen de 3 tot 5 minuten na de collaps kan de overlevingskansen verhogen tot 50-70%. Vroegtijdige defibrillatie is mogelijk wanneer CPR-hulpverleners over een voor het publiek toegankelijke of een private AED kunnen beschikken. Publieke toegang tot AED-programma's moeten actief worden geïmplementeerd in openbare plaatsen met een hoge bevolkingsdichtheid.
  • Het reanimatiealgoritme voor volwassenen kan veilig worden gebruikt bij kinderen die niet reageren en niet normaal ademen. De compressiediepte bij kinderen is ten minste een derde van de diepte van de borstkas (4 cm bij zuigelingen, 5 cm bij kinderen).
  • Een ernstige obstructie van de luchtweg door een vreemd voorwerp is een medisch noodgeval en vereist een onmiddellijke behandeling met rugslagen en, als dat de obstructie niet opheft, abdominale compressies (Heimlich manoeuvre). Indien het slachtoffer het bewustzijn verliest, moet u onmiddellijk de reanimatie starten terwijl hulp wordt geroepen.

Gespecialiseerde reanimatie van volwassenen (adult ALS)

De ERC Richtlijnen 2015 voor gespecialiseerde reanimatie (Advanced Life Support - ALS) leggen de nadruk op een verbeterde zorg en de implementatie van de richtlijnen met de bedoeling de patiëntgerichte resultaten te verbeteren. De belangrijkste wijzigingen sinds 2010 zijn:

  • Blijvende nadruk op het gebruik van snelle responssystemen voor de verzorging van de deteriorerende patiënt en de preventie van in-hospitaal hartstilstand.
  • Blijvende nadruk op het belang van zo weinig mogelijk onderbroken hoogwaardige borstcompressies tijdens elke ALS-interventie: de borstcompressies worden alleen voor specifieke interventies kortstondig onderbroken. Borstcompressies mogen maximaal 5 seconden worden onderbroken om te defibrilleren.
  • De nadruk blijft op het gebruik van zelfklevende defibrillatiepads en een defibrillatiestrategie om de pauze vóór de schok tot een minimum te beperken, hoewel we erkennen dat in sommige omstandigheden defibrillatiepeddels worden gebruikt.
  • Er is een nieuw hoofdstuk over de monitoring tijdens ALS, met extra nadruk op het gebruik van capnografie om de goede plaatsing van de endotracheale tube te bevestigen en te bewaken, om de kwaliteit van de CPR te evalueren en om een herstel van de spontane circulatie (Return of Spontaneous Circulation, ROSC) snel te herkennen.
  • Er bestaan verschillende benaderingen voor het luchtwegmanagement tijdens CPR. Een stapsgewijze aanpak, gebaseerd op de toestand van de patiënten en op de vaardigheden van de hulpverlener, is aanbevolen.
  • De aanbevelingen voor het gebruik van medicatie tijdens CPR zijn niet veranderd, maar er is een grotere consensus over de rol van medicatie in het verbeteren van de uitkomst na een hartstilstand.
  • Het stelselmatige gebruik van mechanische hulpmiddelen voor borstcompressies is niet aanbevolen, maar ze zijn een redelijk alternatief wanneer aanhoudende hoogwaardige manuele borstcompressies onpraktisch zijn of de veiligheid van de hulpverlener in gevaar brengen.
  • Echografie tijdens de reanimatie kan een rol spelen in de identificatie van de omkeerbare oorzaken van de hartstilstand.
  • Extracorporele reanimatietechnieken kunnen een rol spelen als reddingstherapie voor geselecteerde patiënten bij wie de standaard ALS-maatregelen niet succesvol zijn.

Hartstilstand in speciale omstandigheden

Speciale oorzaken

Dit hoofdstuk behandelt de mogelijk omkeerbare oorzaken van hartstilstand die tijdens elke reanimatie moeten worden geïdentificeerd of uitgesloten. Ze worden in twee groepen van vier verdeeld – de 4 H’s: hypoxie, hypo/hyperkaliëmie en andere elektrolytenstoornissen; hypo-/hyperthermie; hypovolemie en de 4 T’s: tensie (spannings)pneumothorax; tamponade (harttamponade); trombose (coronaire en pulmonaire); toxische substanties (intoxicatie).

  • Overleving na een hartstilstand door verstikking is zeldzaam en de overlevenden lijden meestal ernstige neurologische schade. Tijdens CPR is een vroege effectieve ventilatie van de longen met aanvullende zuurstof essentieel.
  • Een sterk klinisch vermoeden en een agressieve behandeling kan een hartstilstand door elektrolytenstoornissen voorkomen. Het nieuwe algoritme geeft klinische begeleiding bij de behandeling van levensbedreigende hyperkaliëmie.
  • Hypotherme patiënten zonder tekenen van cardiale instabiliteit kunnen extern worden opgewarmd met minimaal invasieve technieken. Patiënten met tekenen van cardiale instabiliteit moeten onmiddellijk worden overgebracht naar een centrum waar extracorporele reanimatie (ECLS) mogelijk is.
  • De vroege herkenning en onmiddellijke behandeling met intramusculaire adrenaline blijft de pijler in de urgente behandeling van anafylaxie.
  • Een nieuw behandelalgoritme voor traumatische hartstilstand werd ontwikkeld om de prioriteiten in de volgorde van levensreddende maatregelen te bepalen.
  • Transport tijdens reanimatie kan gunstig zijn voor geselecteerde patiënten, indien er in het ziekenhuis onmiddellijke toegang is tot een hartkatheterisatiezaal met ervaring in percutane coronaire interventie (PCI) tijdens reanimatie.
  • De aanbevelingen voor het toedienen van fibrinolytica bij vermoeden van longembolie als oorzaak van de hartstilstand, blijven ongewijzigd.

Bijzondere omgevingen

Het hoofdstuk over bijzondere omgevingen geeft aanbevelingen voor de behandeling van hartstilstand voorkomend op specifieke locaties. Deze locaties zijn gespecialiseerde zorginstellingen (bv. een operatiekamer, hartchirurgie, katheterisatiezaal, dialyse-eenheid, tandheelkundige praktijk), commerciële vluchten of luchtambulances, een sportveld, een buitenomgeving (bijvoorbeeld verdrinking, moeilijk terrein, grote hoogte, begraving onder lawine, blikseminslag en elektrische verwondingen) of een ongeval met een groot aantal slachtoffers.

  • Een nieuw hoofdstuk behandelt de veel voorkomende oorzaken en relevante wijzigingen van de reanimatieprocedures bij patiënten die een operatie ondergaan.
  • Bij patiënten die zware hartchirurgie hebben ondergaan, is de sleutel tot een succesvolle reanimatie de herkenning van de noodzaak om een urgente resternotomie uit te voeren, vooral in de context van een tamponade of bloeding, waarbij externe borstcompressies ineffectief kunnen zijn.
  • Hartstilstand door schokbare ritmes (ventrikelfibrillatie (VF) of polsloze ventrikeltachycardie (pVT)) tijdens hartkatheterisatie moet onmiddellijk worden behandeld met tot drie opeenvolgende schokken alvorens te starten met borstcompressies. Het gebruik van mechanische hulpmiddelen voor borstcompressies tijdens een angiografie is aanbevolen om hoogwaardige borstcompressies te garanderen en om de stralingsbelasting voor het personeel tijdens de angiografie met doorlopende CPR te verminderen.
  • AED's en gepaste CPR-uitrusting zou verplicht moeten zijn aan boord van alle commerciële vluchten in Europa, met inbegrip van regionale en low cost maatschappijen. Overweeg 'over-the-head'-CPR indien een beperkte toegang een conventionele methode uitsluit.
  • De plotse en onverwachte collaps van een atleet op het sportveld heeft waarschijnlijk een cardiale oorsprong en vereist een snelle herkenning en een vroege defibrillatie.
  • Een onderdompeling in water die langer dan 10 minuten duurt, wordt geassocieerd met een slechte afloop. Omstanders spelen een cruciale rol in de vroegtijdige redding en reanimatie. De reanimatiestrategieën voor personen met een adem- of hartstilstand blijven de voorrang geven aan zuurstoftoediening en ventilatie.
  • De kansen op een goede uitkomst na een hartstilstand worden kleiner bij een moeilijk bereikbare patiënt en na een langdurig transport. Het belang van luchtreddingsoperaties en de beschikbaarheid van AED's in afgelegen maar vaak bezochte locaties wordt erkend.
  • De cut-off criteria voor verlengde CPR en extracorporele opwarming van lawineslachtoffers met hartstilstand zijn strenger gemaakt, om het aantal futiele casussen die met extracorporele reanimatie worden behandeld te beperken.
  • Veiligheidsmaatregelen bij het verstrekken van CPR aan een slachtoffer van een elektrocutie worden benadrukt.
  • Bij ongevallen met een groot aantal slachtoffers (Mass Casualty Incidents, MCI's) dient men geen CPR te geven aan mensen die geen tekenen van leven vertonen indien het aantal slachtoffers de zorgmiddelen overstijgt.

Bijzondere patiënten

Het hoofdstuk over bijzondere patiënten geeft richtlijnen voor CPR bij patiënten met ernstige comorbiditeit (astma, hartfalen met toestel voor ventriculaire assistentie (Ventricular Assist Device, VAD), neurologische ziekte, obesitas) en patiënten met specifieke fysiologische aandoeningen (zwangerschap, ouderen).

  • Bij patiënten met een een VAD kan de bevestiging van hartstilstand moeilijk zijn. Indien in de tien eerste dagen na de operatie de hartstilstand niet reageert op defibrillatie, zal men onmiddellijk een resternotomie uitvoeren.
  • Patiënten met subarachnoïdale bloeding kunnen wijzigingen van het ECG vertonen die op een acuut coronair syndroom (ACS) wijzen. Of een CT-scan (computed tomography) voor of na de coronaire angiografie wordt gemaakt, hangt af van het klinisch oordeel.
  • Voor de reanimatie van obese patiënten worden geen wijzingen in het algoritme aanbevolen, maar het geven van effectieve CPR kan moeilijk zijn. Overweeg om de hulpverleners vaker te vervangen dan met het standaardinterval van 2 minuten. Vroegtijdige endotracheale intubatie is aanbevolen.
  • Voor zwangere vrouwen met een hartstilstand blijven de belangrijkste interventies hoogwaardige CPR met manuele verplaatsing van de baarmoeder, vroege ALS en verlossing van de foetus indien er geen vroegtijdig herstel van de spontane circulatie (ROSC) is.

Post-reanimatiezorg

Dit hoofdstuk is nieuw in de ERC Richtlijnen; in 2010 werd dit onderwerp behandeld in het hoofdstuk over ALS. De ERC heeft samengewerkt met de European Society of Intensive Care Medicine om deze richtlijnen voor de post-reanimatiezorg op te stellen, waarmee het belang van hoogwaardige post-reanimatiezorg wordt erkend als een onmisbare schakel van de overlevingsketen.

De belangrijkste veranderingen in de post-reanimatiezorg sinds 2010 zijn:

  • Er ligt een grotere nadruk op de noodzaak van dringende hartkatheterisatie en percutane coronaire interventie (PCI) na een hartstilstand buiten het ziekenhuis met een waarschijnlijk cardiale oorsprong.
  • Een gericht temperatuurbeleid (Target Temperature Monitoring, TTM) blijft belangrijk, maar het is nu mogelijk om zich op een temperatuur van 36°C te richten in plaats van de vroegere aanbevolen 32-34°C. De preventie van koorts blijft zeer belangrijk.
  • De prognosebepaling wordt nu uitgevoerd met een multimodale strategie en de nadruk ligt op het voorzien van voldoende tijd voor het neurologisch herstel en het laten uitwerken van sedativa.
  • Een nieuw hoofdstuk over de revalidatie na overleving van een hartstilstand is toegevoegd. Aanbevelingen zijn onder andere de systematische organisatie van follow-upzorg, die de screening op mogelijke cognitieve en emotionele stoornissen en het verstrekken van informatie moet omvatten.

Reanimatie van kinderen

De richtlijnen zijn gewijzigd om in te spelen op overtuigende nieuwe wetenschappelijke gegevens. Gebruik makend van klinische, organisatorische en educatieve bevindingen werden deze aangepast om zo hun gebruik te bevorderen en het aanleren te vergemakkelijken.

Basisreanimatie

  • De duur van een beademing is ongeveer 1 seconde, net als bij de reanimatie van een volwassene.
  • Voor borstcompressies moet de onderste helft van het borstbeen tot minstens een derde van de anterieur-posterieure diameter van de borst worden ingedrukt (4 cm voor zuigelingen, 5 cm voor kinderen).

Ernstig zieke kinderen - shock

  • Als er geen tekenen van een septische shock zijn, moeten kinderen met een met koorts gepaard gaande ziekte met de nodige voorzichtigheid intraveneus vocht krijgen en moet de circulatoire toestand van het kind na de vochttoediening opnieuw worden beoordeeld. Vochttoediening kan bij septische shock beperkt worden tot isotone kristalloïde oplossingen.
  • Voor cardioversie van een supraventriculaire tachycardie (SVT) is de initiële dosis herzien naar 1 J/kg.

Algoritme voor de hartstilstand bij kinderen

Vele handelingen zijn hetzelfde als die voor volwassenen.

Post-reanimatiezorg

  • Voorkom koorts bij kinderen na herstel van de spontane circulatie (ROSC) buiten het ziekenhuis.
  • De temperatuurregulatie van kinderen post-ROSC moet gericht zijn op normothermie of milde hypothermie.
  • Er bestaat geen enkele voorspellende variabele voor het stopzetten van de reanimatie.

Reanimatie en ondersteuning bij de transitie van pasgeborenen

De belangrijkste wijzigingen in de ERC Richtlijnen 2015 voor reanimatie bij de geboorte zijn:

  • Ondersteuning bij de transitie: Erkenning van de unieke situatie van de pasgeborene, die zelden reanimatie vereist maar soms medische hulp nodig heeft in het proces van de postnatale transitie. Het begrip 'ondersteuning bij de transitie' is ingevoerd om een beter onderscheid te maken tussen interventies die nodig zijn om de vitale orgaanfuncties te herstellen (reanimatie) of om de transitie te ondersteunen.
  • Afnavelen: Voor onbedreigde pasgeborenen wordt nu geadviseerd minimaal 1 minuut te wachten met het afnavelen na de volledige geboorte van het kind, voor zowel a terme als preterme pasgeborenen. Voor pasgeborenen die bij de geboorte gereanimeerd moeten worden, is er vooralsnog onvoldoende bewijs om een juist moment voor het afnavelen aan te bevelen.
  • Temperatuur: De temperatuur van pasgeborenen zonder asfyxie moet na de geboorte tussen 36,5°C en 37,5°C blijven. Het belang daarvan wordt benadrukt en versterkt door de sterke associatie met mortaliteit en morbiditeit. De opnametemperatuur moet worden genoteerd als voorspellende variabele voor de uitkomst en als kwaliteitsindicator.
  • Behoud van temperatuur: Bij een zwangerschapsduur van < 32 weken kan een combinatie van interventies nodig zijn om de temperatuur na de geboorte tussen 36,5°C en 37,5°C te behouden gedurende de ganse opname en stabilisatie. Methoden die effectief zijn om hypothermie tegen te gaan, zijn: verwarmde en bevochtigde beademingsgassen, verhogen van omgevingstemperatuur plus het inpakken van het lichaam en hoofd in plastic, plus een warmtematras of enkel een warmtematras.
  • Optimale beoordeling van de hartfrequentie: Bij pasgeborenen die reanimatie vereisen, kan het ECG worden gebruikt voor een snelle en accurate schatting van de hartfrequentie.
  • Meconium: Endotracheale intubatie mag niet stelselmatig worden toegepast in de aanwezigheid van meconium, en dient enkel uitgevoerd te worden als er een vermoeden van endotracheale obstructie is. De nadruk moet liggen op het initiëren van ventilatie binnen de eerste levensminuut bij niet-ademende of inefficiënt ademende zuigelingen, en dit mag niet worden uitgesteld.
  • Kamerlucht/zuurstof: Bij a terme pasgeborenen moet de reanimatie starten met kamerlucht. Bij preterme pasgeborenen dient gestart te worden met kamerlucht of een lage concentratie zuurstof (tot 30%). Indien ondanks een adequate beademing oxygenatie (bij voorkeur gemeten met een oxymeter) uitblijft, dient de toediening van een hogere concentratie zuurstof te worden overwogen.
  • CPAP: De initiële ademhalingsondersteuning van spontaan ademende preterme pasgeborenen met ademhalingsproblemen kan worden gegeven door CPAP in plaats van intubatie.

Acute coronaire syndromen

Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste nieuwe inzichten in en wijzigingen van de aanbevelingen voor de diagnose en behandeling van acute coronaire syndromen (ACS).

Diagnostische interventies bij ACS

  • De pre-hospitaal afname van een elektrocardiogram (ECG) met 12 afleidingen is aanbevolen bij patiënten met een vermoeden van myocardinfarct met verhoging van het ST-segment (ST segment Elevation Myocardial Infarction, STEMI). Bij STEMI-patiënten versnelt dit de pre-hospitaal en in-hospitaal reperfusie en vermindert het de mortaliteit.
  • De interpretatie van een ECG STEMI door een niet-arts, met of zonder de hulp van een computer, wordt voorgesteld indien men adequate diagnostiek kan handhaven door middel van zorgvuldig gecontroleerde kwaliteitsbeoordelings programma's.
  • Het activeren van de katheterisatiezaal bij een pre-hospitaal STEMI kan niet alleen de tijdsspanne tot de behandeling maar ook de mortaliteit reduceren.
  • Het gebruik van negatieve zeer gevoelige troponines (hs-cTn) tijdens de initiële patiënten evaluatie mag geen alleenstaande maatregel zijn om een ACS uit te sluiten, maar kan bij patiënten met zeer lage risicoscores een snel ambulant ontslag rechtvaardigen.

Therapeutische interventies bij ACS

  • Adenosine-difosfaat (ADP) receptorantagonisten (clopidogrel, ticagrelor of prasugrel-met specifieke beperking) mogen pre-hospitaal of op de spoedgevallendienst worden gegeven aan STEMI-patiënten voor wie een primaire PCI is gepland.
  • Ongefractioneerde heparine (UFH) kan pre-hospitaal of in-hospitaal worden toegediend bij patiënten met een STEMI voor wie een primaire PCI is gepland.
  • Pre-hospitaal enoxaparine kan worden gebruikt als alternatief voor pre-hospitaal UFH bij STEMI.
  • Patiënten met acute pijn op de borst en een vermoeden van ACS hebben geen aanvullende zuurstof nodig, tenzij ze tekenen van hypoxie, kortademigheid of hartfalen vertonen.

Reperfusiebeslissingen bij STEMI

De reperfusiebeslissingen werden nagegaan in een aantal mogelijke lokale scenario’s.

  • Wanneer fibrinolyse de geplande behandelstrategie is, raden wij aan pre-hospitaal fibrinolyse te gebruiken, eerder dan in-hospitaal fibrinolyse voor STEMI, indien de transporttijd >30 minuten is en het pre-hospitaal personeel goed is opgeleid.
  • In geografische gebieden waar PCI-faciliteiten bestaan en beschikbaar zijn, genieten directe triage en transport voor PCI de voorkeur boven pre-hospitaal fibrinolyse bij STEMI.
  • Patiënten met een STEMI op de spoedgevallendienst van een ziekenhuis waar geen PCI voorhanden is, moeten onmiddellijk naar een PCI-centrum worden overgebracht, op voorwaarde dat de vertraging van de behandeling voor PCI minder dan 120 minuten bedraagt (60 tot 90 minuten voor patiënten in een vroege fase en voor patiënten met uitgebreide infarcten). Anders moeten de patiënten fibrinolyse krijgen en naar een PCI-centrum worden gebracht.
  • Patiënten die fibrinolytische therapie krijgen op de spoedafdeling van een centrum waar PCI niet mogelijk is, moeten indien mogelijk worden overgebracht voor een vroege routine angiografie (binnen 3 tot 24 uur na de fibrinolyse therapie) en niet enkel als er sprake is van ischemie.
  • PCI in minder dan 3 uur na de toediening van een fibrinolyticum is niet aanbevolen en kan enkel worden uitgevoerd bij een niet-geslaagde fibrinolyse.

In-hospitaal reperfusiebeslissingen na het herstel van de spontane circulatie

  • Wij raden een spoedkatheterisatie aan (en onmiddellijke PCI, indien vereist), net zoals bij patiënten met een STEMI zonder hartstilstand, bij geselecteerde volwassen patiënten met ROSC na een hartstilstand buiten het ziekenhuis (OHCA) met vermoedelijke cardiale oorzaak en verhoging van het ST-segment op het ECG.
  • Bij comateuze patiënten met ROSC na een OHCA van vermoedelijke cardiale oorsprong zonder verhoging van het ST-segment op het ECG is het redelijk om een spoedkatheterisatie te overwegen bij die patiënten die het hoogste risico lopen op een hartstilstand van coronaire oorsprong.

Eerste hulp

Voor het eerst is een hoofdstuk over eerste hulp opgenomen in de ERC Richtlijnen 2015.

Beginselen van reanimatieopleiding

Hierna volgt een samenvatting van de belangrijkste nieuwe inzichten of wijzigingen in de aanbevelingen voor reanimatieopleiding sinds de 2010 ERC Richtlijnen.

Training

  • In centra die de middelen hebben om hoogwaardige oefenpoppen te kopen en te onderhouden, raden wij het gebruiken daarvan aan. Het gebruik van minder hoogwaardige poppen is echter geschikt voor alle opleidingsniveaus van ERC-cursussen.
  • CPR-feedbackapparaten met steminstructies zijn nuttig voor het verbeteren van de compressiesnelheid, de compressiediepte, het loslaten en de handpositie. Apparaten met louter een geluidsmetronoom verbeteren enkel de compressiesnelheid en kunnen een nadelig effect hebben op de compressiediepte, omdat de hulpverleners uitsluitend op de snelheid letten.
  • De intervallen tussen de herhalingscursussen verschillen afhankelijk van het soort deelnemers (leken versus hulpverleners). Men weet dat de reanimatie-vaardigheden al binnen enkele maanden na de training achteruitgaan en om die reden is jaarlijkse hertraining misschien niet voldoende. Hoewel de optimale intervallen niet gekend zijn, kunnen frequente hertrainingen met ingekorte sessies gunstig zijn.
  • De training in niet-technische vaardigheden (communicatievaardigheden, de rol van teamleiders en -leden) is een essentiële aanvulling van de training in technische vaardigheden. Deze training moet worden opgenomen in reanimatiecursussen.
  • Operatoren van het hulpcentrum 112 spelen een belangrijke rol in de begeleiding van leken bij het reanimeren. Deze rol vereist een specifieke training om duidelijke en effectieve instructies te geven in een stressvolle situatie.

Implementatie

  • Een gegevensgestuurde, prestatiegerichte debriefing verbetert de prestaties van de reanimatieteams. Wij raden deze dan ook ten zeerste aan voor teams die patiënten met een hartstilstand behandelen.
  • Regionale systemen die reanimatiecentra omvatten moeten worden aangemoedigd, aangezien er een verband bestaat met een verhoogde overleving en verbeterde neurologische uitkomsten bij slachtoffers van OHCA.
  • Nieuwe systemen worden ontwikkeld om omstanders attent te maken op de dichtstbijzijnde AED. Elke technologie die de vroegtijdige reanimatie door omstanders kan initiëren samen met snelle toegang tot een AED, moet worden aangemoedigd.
  • 'It takes a system to save a life' [http://www.resuscitationacademy.com/] Zorgsystemen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van patiënten met een hartstilstand (bv. EMS-organisaties, reanimatiecentra) moeten hun processen evalueren om te verzekeren dat ze zorg kunnen verstrekken die de beste overlevingskansen garandeert.

De ethiek van reanimatie en de beslissingen rond het levenseinde

De ERC Richtlijnen 2015 omvatten een gedetailleerde bespreking van de ethische principes die de cardiopulmonaire reanimatie onderbouwen.

Top